Het juiste antwoord op de stelling is: feit.
Dat antwoord is te ontlenen aan bepaling 411.3.2.2 in combinatie met tabel 41.1 van NEN 1010.
Onderbouwing van het antwoord
Uit de bepaling moet worden afgeleid dat eindgroepen met (één of meer) contactdozen tot en met 63 A moeten voldoen aan de uitschakeltijden zoals te vinden zijn in tabel 41.1. Omdat het tot en met 63 A is, valt de contactdoos in de stelling nog onder deze bepaling.
Vervolgens moet in tabel 41.1 eerst worden gekeken naar wat NEN 1010 verstaat onder U0. Deze uitleg staat in de tabel zelf. U0 blijkt de nominale spanning tussen fase en aarde te zijn. In de stelling is die spanning 230 Vac.
Daarna lees je in de juiste kolom de maximale uitschakeltijd van 0,4 s af.
De stelling gaat ook uit van 0,4 s zodat we de conclusie trekken dat de stelling een feit is.

Als de nominale waarde van de contactdoos hoger is dan 63 A, dan mag de maximale uitschakeltijd aangehouden worden die geldt voor een distributiegroep. En die uitschakeltijd is dan in dit geval 5 s. Dit is slechts één van de vele wijzigingen van NEN 1010:2020 ten opzichte van NEN 1010:2015.
Het juiste antwoord op de stelling is: feit.
Je mag installatiedraad toepassen in een wandgoot.
Onderbouwing van het antwoord
In hoofdstuk 52 van NEN 1010:2015 wordt de keuze en installatie van leidingsystemen beschreven. Aan het begin van hoofdstuk 52, namelijk in bepaling 521.1, staat het volgende:
De installatiemethode van een leidingsysteem (…) moet, met betrekking tot de soort geleider of kabel, zijn gekozen overeenkomstig tabel 52.A.1, (…).
Op de vraag of we nu wel of geen installatiedraad in wandgoot mogen toepassen, vinden we het antwoord via deze bepaling in tabel 52.A.1. In tabel 52.A.1 vind je namelijk welke soort geleider of kabel zijn toegelaten met betrekking tot de manier van installeren.
Het is van belang om te weten dat NEN 1010 de term wandgoot niet kent. In NEN 1010 heet dit een kabelgoot. En installatiedraad heet in tabel 52.A.1 een geïsoleerde geleider. Hieronder zie je een fragment van deze tabel met de onderbouwing van de stelling.

Zoals je ziet is de combinatie wandgoot met installatiedraad toegelaten. De stelling is dus een feit.
Het juiste antwoord op de stelling is: feit.
NEN 1010:2015 eist dat een schakeldraad zwart of grijs moet zijn, maar een schakelader mag naast zwart of grijs, ook bruin zijn.
Onderbouwing van het antwoord
Een schakelader is anders dan een schakeldraad. Een ader is namelijk onderdeel van een kabel. Bij bijvoorbeeld een YMvK 3x2,5 mm2 heb je dus drie aders en niet drie draden. In de meeste gevallen hebben die aders dan de kleur bruin, blauw en groen-geel. Onder draad wordt installatiedraad verstaan. Dit noemen we in de praktijk ook wel VD(-draad).
Er wordt in de stelling gesteld dat een schakelader de kleur bruin mag hebben. En dat is een feit. Dit is gebaseerd op bepaling 514.3.6 van NEN 1010:2015. In die bepaling lees je dat een schakelader de kleuren bruin, zwart of grijs mag hebben.
In dezelfde bepaling lees je ook dat dit voor een schakeldraad net iets anders is geregeld. Een schakeldraad mag namelijk zwart of grijs zijn. En dus niet bruin.
Het juiste antwoord op de stelling is: fabel.
NEN 1010:2015 eist dit alleen voor beschermingsleidingen in ‘normale’ eind- en distributiegroepen.
Onderbouwing van het antwoord
Volgens de stelling eist NEN 1010 een beproeving op het ononderbroken zijn van beschermings-, fase- en nulleidingen in gewone groepen bij een inspectie van een nieuwe installatie. In het inspectiedeel (deel 6) van NEN 1010 vinden we of dit een feit of fabel is.
NEN 1010 heeft deel 6 in twee hoofdstukken opgedeeld. Hoofdstuk 61 (Eerste inspectie) en hoofdstuk 62 (Periodieke inspectie). In de stelling gaat het om een inspectie van een nieuwe installatie, dat noemt NEN 1010 een ‘eerste inspectie’ (hoofdstuk 61 dus).
In hoofdstuk 61 bij bepaling 61.3.2 vinden we vervolgens wat NEN 1010 eist aan beproeving op het ononderbroken zijn van geleiders:
Een beproeving op het ononderbroken zijn van geleiders moet worden uitgevoerd op:
In ‘gewone’ eind- en distributiegroepen (en dus geen ringeindgroepen) moet een beproeving worden uitgevoerd op beschermingsleidingen en niet op actieve geleiders, zoals fase- en nulleidingen.
Let wel op dat NEN 1010 hier onder beschermingsleidingen ook beschermende en aanvullende beschermende vereffeningsleidingen verstaat. Die moeten dus ook beproefd worden op het ononderbroken zijn daarvan.
Onderbouwing van het antwoord
Om erachter te komen of NEN 1010 nu wel of niet van toepassing is op schrikdraadinstallaties, is redelijk eenvoudig. NEN 1010 omschrijft dit namelijk in het toepassingsgebied. Met andere woorden, er wordt benoemd waar NEN 1010 op van toepassing is en waar niet. In bepaling 11.3 staat dat NEN 1010 niet van toepassing is op elektrische schrikdraadinstallaties.
Het is vervolgens wel van belang om te weten wat er onder een schrikdraadinstallatie wordt verstaan. Waar begint en eindigt de schrikdraadinstallatie?
Een schrikdraadinstallatie bestaat uit een samenstel van elektrisch materieel, leidingen en bijbehoren van leidingen aangesloten op een spanninggever. Een spanninggever is een toestel dat is bestemd voor het periodiek afgeven van elektrische pulsen aan een daarop aangesloten schrikdraadinstallatie. Dit geheel vormt de schrikdraadinstallatie. En hierop is NEN 1010 dus niet van toepassing. De groep waarop de spanninggever is aangesloten moet dan wel weer voldoen aan NEN 1010.
De schrikdraadinstallatie moet overigens wel voldoen aan een ‘eigen’ norm. Dit is NEN 5237. Wil je dus weten waar de schrikdraadinstallatie aan moet voldoen, dan moet je die norm hanteren.
Onderbouwing van het antwoord
NEN 1010:2015 schrijft een aantal beschermingsmaatregelen voor. Die vind je in deel vier van de norm. In dit deel, dat bestaat uit meerdere hoofdstukken, vinden we een hoofdstuk dat gaat over de beschermingsmaatregelen tegen schok. Hoofdstuk 41 om precies te zijn.
De beschermingsmaatregelen tegen schok worden vervolgens opgedeeld in twee verschillende vormen. Basisbescherming en foutbescherming. Voor de beschermingsmaatregel ‘automatische uitschakeling van de voeding’ is dit als volgt verwoord:
Automatische uitschakeling van de voeding is een beschermingsmaatregel waarbij:
(…).
Zoals je bij het tweede aandachtsstreepje kan lezen is beschermende vereffening dus onderdeel van foutbescherming en niet van basisbescherming.
Onderbouwing van het antwoord
In een ruimte met bad of douche eist NEN 1010:2015 aanvullende beschermingsmaatregelen tegen schok. In bepaling 701.415.2 lezen we dat bereikbare vreemd geleidende delen binnen een ruimte die een badkuip en/of douche bevat aanvullend moeten worden vereffend.
Ook de badkamervloer kan een vreemd geleidend deel zijn. Dat is bijvoorbeeld zo als een betonvloer geleidend is geworden door de betonwapening. De vloer moet dan opgenomen worden in de aanvullende beschermende vereffening.
Om dit te bereiken kunnen we verschillende middelen gebruiken. Eén van deze middelen kan een aardmat zijn. Deze uitvoering schrijft NEN 1010 niet verplicht voor. Je zou er bijvoorbeeld ook voor kunnen kiezen om het wapeningsstaal te gebruiken om de vereffening tot stand te brengen.
Het aanvullend vereffenen van (de bereikbare vreemd geleidende delen in) de vloer is dus een eis. Maar het is geen eis om dat met een aardmat te doen. Daar ging de stelling wel vanuit. De stelling is daarom een fabel.
Onderbouwing van het antwoord
De onderbouwing voor dit antwoord vinden we in een apart hoofdstuk van NEN 1010:2015, namelijk 722. Dit is het hoofdstuk dat gaat over ‘laadinrichtingen voor elektrische voertuigen’. Een laadpaal zoals in de stelling bedoeld valt onder zo’n laadinrichting.
Daarnaast is het belangrijk om te weten wat NEN 1010 precies verstaat onder ‘aansluitpunt’. Dat vinden we in de definitie die wordt gegeven. Deze luidt: ‘punt waar één elektrisch voertuig wordt aangesloten op de vast aangelegde installatie’. Elke contactdoos afzonderlijk op een laadpaal is volgens NEN 1010 dus één aansluitpunt.
Dan is bepaling 722.533.4 doorslaggevend voor het antwoord. Hierin vinden we dat elk aansluitpunt (dus elke afzonderlijke contactdoos in een laadpaal) moet worden gevoed door een eigen eindgroep, die wordt beschermd door een beveiligingstoestel tegen overstroom.
Onderbouwing van het antwoord
Beschermende vereffeningsleidingen kent NEN 1010:2015 in twee soorten:
Over de beschermende vereffeningsleiding is NEN 1010 heel duidelijk. Deze sluit je aan op de hoofdaardrail (of –klem). Dit is onder andere terug te vinden in bepaling 411.3.1.2. Daar lezen we ‘In elk gebouw moeten de aardleiding, de hoofdaardrail of -klem en de volgende geleidende delen met de beschermende vereffening zijn verbonden: (…)’.
Maar over de aanvullende beschermende vereffeningsleiding is NEN 1010 een stuk minder duidelijk. Dat wil zeggen: NEN 1010 zegt ons niet dat we al die leidingen op één rail moeten aansluiten. In de praktijk doen we dat wel. We verbinden de aanvullende beschermende vereffeningsleiding met een CAP (centraal aardpunt) in de ruimte waar aanvullende beschermende vereffening is vereist.
Onderbouwing van het antwoord
In bepaling 411.4.4 van NEN 1010:2015 staat dat de kenmerken van de beveiligingstoestellen en de circuitimpedanties moeten voldoen aan een eis. Die eis luidt: Zs x Ia ≤ U0
De vergelijking oogt op het eerste gezicht wat ingewikkeld. Zouden we de vergelijking wat anders opschrijven dan zien we daarin een bekende van ons, namelijk (min of meer) de wet van Ohm.
U0 ≥ Ia x Zs (U = I x R)
Bij een gelijkblijvende spanning (400/230 Vac) speelt de aardcircuitimpedantie (Zs) in het foutstroomcircuit een grote rol bij de hoogte van de stroom. Namelijk een lage Zs zorgt voor een hoge stroom. Een hoge Zs zorgt voor een lagere stroom.
Is het toestel niet geaard, dan is de Zs hoger dan wanneer het toestel wel geaard is. Door de verbinding tussen de behuizing van een toestel en de voedingsbron(beschermingsleiding) zal de Zs laag zijn en daardoor zal er een hoge stroom lopen.